Lontwol - Spinwol
Zacht, zachter - gekleurd of natuurlijk
Spinwoordenboek
1. Spinnen (spinning) – Het draaien van losse vezels tot een stevige, doorlopende draad.
2. Lontwol (wool roving) – Gewassen en gekamde wol waarbij de vezels grotendeels in dezelfde richting liggen. Een veelgebruikte basis voor handspinnen.
3. Vezel (fibre/fiber) – Een afzonderlijk, dun haartje waaruit wol of ander spinmateriaal bestaat.
4. Spinnewiel (spinning wheel) – Een werktuig waarmee vezels door middel van draaiing tot garen worden gesponnen.
5. Spintol (drop spindle) – Een eenvoudig hulpmiddel waarmee je met de hand vezels tot garen draait.
6. Draaiing (twist) – De draaiing in het garen die de losse vezels bij elkaar houdt. Meer draaiing geeft meestal een steviger garen.
7. Voorgaren (roving) – Een licht gedraaide of samengeperste bundel vezels die gemakkelijk tot garen kan worden gesponnen.
8. Enkeldraads garen (single-ply yarn/single) – Eén gesponnen draad die nog niet met een andere draad is samengedraaid.
9. Twijnen (plying) – Twee of meer gesponnen draden om elkaar heen draaien. Hierdoor ontstaat een sterker en evenwichtiger garen.
10. Getwijnd garen (plied yarn) – Garen dat uit twee of meer samengedraaide draden bestaat.
11. Uittrekken (drafting) – Het gecontroleerd uittrekken en verdunnen van de vezels voordat de draaiing erin komt.
12. Spingat (orifice) – De opening in het spinnewiel waardoor de gesponnen draad naar de spoel wordt geleid.
13. Spoel (bobbin) – Het onderdeel van een spinnewiel waarop het gesponnen garen wordt gewikkeld.
14. Haspel (niddy-noddy/skein winder) – Een hulpmiddel waarmee garen van een spoel tot een streng wordt gewikkeld.
15. Streng (skein/hank) – Garen dat in een grote lus is gewikkeld. Voor gebruik wordt het meestal tot een bol opgewonden.
16. Wikkelingen per inch (wraps per inch/WPI) – Het aantal keer dat een draad binnen één inch naast elkaar past. Hiermee bepaal je de dikte van het garen.
17. Stapellengte (staple length) – De gemiddelde lengte van de losse vezels. Deze lengte beïnvloedt hoe gemakkelijk het materiaal spint.
18. Kaarden (carding) – Het losmaken, mengen en ordenen van vezels met handkaarden of een kaardmolen.
19. Rolag (rolag) – Een luchtig rolletje gekaarde vezels dat wordt gebruikt voor het spinnen van zacht en luchtig garen.
20. Navajo-twijnen (Navajo plying/chain plying) – Een techniek waarbij één draad met grote lussen tot een driedraads garen wordt getwijnd.